Precies twee jaar geleden verscheen het historische standaardwerk over de negentiende eeuwse heel- en vroedmeester Marinus de Broekert. Het boek, geschreven door historicus Gerard Lepoeter (foto Willem Mieras) uit Kapelle en gynaecoloog Herbert Teeuw, is gebaseerd op beschrijvingen van bevallingen die De Broekert van 1824 tot 1872 begeleidde in het Zeeuws-Vlaamse Hoek en in Wemeldinge. Nu komt Lepoeter er in deze 25ste Schrijverscorner op terug. Hij gaat nog eens nader in op het voor onze tijd onvoorstelbaar grote aantal kinderen, dat tijdens de zuigelingenleeftijd overleed.
In de PZC werd bij het verschijnen van het boek geschreven: ,,De Broekert hield in een bevallingen- of partusboek al zijn activiteiten als vroedmeester bij. Hij maakte daarover vrij uitgebreid aantekeningen. Dat was bijzonder. En bijzonder is ook dat het bevallingenboek van De Broekert bewaard is gebleven. In 2004 dreigde het bij het oud papier te belanden bij een grote schoonmaak. Mevrouw M. L. Bek-Hundersmarck zag het boek bij een familielid die het wilde weggooien. Ze nam het mee naar het gemeentearchief in Kapelle waar het sindsdien in bewaring is. Lepoeter, regelmatig bezoeker van het archief in Kapelle, kreeg het oude bevallingenboek in handen. Hij zag er de waarde van in en heeft het in samenwerking met gynaecoloog Teeuw helemaal bewerkt.”
************************
Biografie van Gerard Lepoeter: Gerard J. Lepoeter (Kapelle, 3 maart 1930) was tot zijn pensionering werkzaam in een agrarisch veredelings- en handelsbedrijf als hoofd van de boekhouding en hoofd personeel en organisatie. Hij publiceert regelmatig over een verscheidenheid van onderwerpen op het terrein van de geschiedenis van Zeeland.
*********************************
Kindersterfte in Wemeldinge in de negentiende eeuw
De heel- en vroedmeester Marinus Nathanaël de Broekert was lange tijd werkzaam in Wemeldinge. Gedurende een periode van 45 jaar (1826-1871) hield hij een register bij waarin hij alle door hem verrichte verlossingen noteerde. Dit document is bewaard gebleven en in 2004 openbaar geworden. Analyse van dit register en toetsing van de gegevens aan de registers van de burgerlijke stand en de akten van geboorte en overlijden levert frappante uitkomsten op, vooral wat betreft kindersterfte.
Van de 1574 kinderen die hij ter wereld bracht overleden er 162 (10,29 %) in de perinatale periode (tot een week na de bevalling) en 378 (24,02 %) in het eerste levensjaar. Vijf jaar na de geboorte waren er nog 872 kinderen (55,40 %) in leven.
De Broekert bracht 80 kinderen ter wereld die geboren werden uit ongehuwde moeders. Van deze kinderen overleden er 11 (13,75 %) in de perinatale periode en 26 (32,50 %) in het eerste levensjaar. Vijf jaar na de geboorte waren er nog 34 van deze kinderen (42,50 %) in leven. We zien in deze cijfers een duidelijk ongunstiger beeld dan bij de kinderen in de totale groep. We kunnen ons de vraag stellen welke verklaring voor dit verschijnsel voor de hand ligt. De vrouwen die ongehuwd zwanger werden, waren vrijwel zonder uitzondering landarbeidsters en dienstboden. Deze jonge vrouwen en meisjes stonden er meestal alleen voor en moesten noodgedwongen zo snel mogelijk na de bevalling weer hun dagtaak vervullen. Ze hadden geen keus en geen mogelijkheid hun baby op een verantwoorde wijze te verzorgen. Deze kinderen werden daarom vrijwel direct na de geboorte in handen gegeven van een grootmoeder, die te oud was om nog buitenshuis arbeid te verrichten, of van een oude buurvrouw die voor een luttele vergoeding de zorg op zich nam. Een geringere overlevingskans was het gevolg.
Een andere groep kinderen die erom vraagt apart voor het voetlicht gebracht te worden, betreft de als meerling geboren kinderen. Het betreft 25 tweelingen en 1 drieling, in totaal 53 kinderen. Van deze kinderen overleden er 24 (45,28 %) in de perinatale periode en 20 (37,73 %) in het eerste levensjaar. Vijf jaar na de geboorte waren er nog 7 van deze kinderen (13,21 %) in leven, waar onder van 1 tweeling beide kinderen.
Dit zijn dramatische cijfers, die zonder twijfel beïnvloed zijn door het ontbreken van zwangerschapszorg, maar ook door gebrek aan kennis en middelen bij de vroedmeester. Deze kon bij moeilijke bevallingen in het beste geval de assistentie inroepen van een (meer ervaren) collega uit een naburig dorp, een enkele keer uit de stad Goes. Voordat de hulp ter plaatse was, waren er dan uren verstreken.
Ook voor de moeders leverde het baren van een meerling extra risico’s op. Van de 26 barende vrouwen overleden er 3 (11,54 %) in het kraambed. Van het totale aantal moeders was dit 1,16 %.
Het Partusboek De Broekert geeft ons een indringend en aangrijpend inzicht in de risico’s van het baren en gebaard worden op het Zeeuwse platteland in de negentiende eeuw. Een bijzonder aspect van de sociale geschiedenis op microniveau in deze periode.