De Tranen van de Zeegans

Ik kwam de titel ergens tegen op de boekensite van de Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg: De Tranen van de Zeegans. Die intrigeerde. Vervolgens bleek de hoofdpersoon afkomstig te zijn uit Driewegen. Driewegen? Welk Driewegen – want in Zeeland zijn er al meerdere dorpen en gehuchten, die altijd voor een leuke verwarring zorgen. Driewegen bij Biervliet, mailde schrijfster Inge Bak me terug op mijn vraag. Daarmee was het pleit beslecht. Ik heb de novelle gelezen. En ben daar nog steeds en voor altijd heel blij om. Wat schrijft die Inge Bak heerlijk atmosferisch – een term die ik nu gebruik omdat de regen tegen de ruiten slaat.

De novelle verscheen een half jaar geleden. Met de huidige omloopsnelheid van veel boeken is dat al oud. Ik vind novelle een moeilijk te duiden genre. Te lang om een verhaal genoemd te worden, te weinig tekst om het predikaat roman te krijgen. Met een krappe 90 pagina’s (netto) zit de Zeegans inderdaad tussen servet en tafellaken. Ik houd het op een lang uitgevallen verhaal, dat bijna dichterlijk is geschreven. En dat ik – prettig – in één avond kan uitlezen. Waarna het heerlijk onberekenbaar in mijn hoofd blijft rondspoken.

Korte biografie van Inge Nicole Bak: geboren 25 februari 1968 in Den Helder. Pedagogische Academie afgerond in 1991. Werkte even in het onderwijs, maar werd al gauw full-time schrijfster. Publicaties: 1994 Nachtbloem, tien gebundelde gedichten; 2004 eerste roman Zon in het haar; 2008 tweede roman Het Wachthuis; 2011 novelle De Tranen van de Zeegans. Inge Bak schildert ook; op haar weblog zegt ze: ,,Als mijn pen geen woorden heeft, grijp ik naar het penseel en omgekeerd.” Ze heeft onlangs het virtuele atelier Penseelaap gelanceerd.

Zoals ik hierboven al schreef, heb ik contact gehad met de schrijfster, die onder steeds wisselende namen publiceert: Inge Nicole Bak, Inge Bak en nu Inge Nicole. Daar zal vast een verklaring voor zijn. Maar die heb ik haar niet gevraagd. Ik was vooral geïnteresseerd in Driewegen. Daarop antwoordde ze: ,,Het hoofdpersonage Aleida is een slagersdochter uit Driewegen.  Het verhaal is niet op waarheid gebaseerd, maar mijn oma, Elizabeth van Hoeve (moeders naam Faas) is geboren en getogen in Driewegen (gemeente Biervliet). Ik kom dus zelf niet uit Zeeland, maar er liggen wel roots via de lijn van mijn vaders moeder. Als kind ben ik ook in die plaatsen geweest (familiebezoek). In mijn herinnering (jaren ’70) was daar de tijd een beetje stil blijven staan en heb ik veel beelden vanuit daar bewaard. Toen ik jaren later een decor nodig had voor een verhaal dat zich vlak aan zee in de negentiende eeuw afspeelt, zag ik Driewegen weer voor me en wist… daar moet het verhaal beginnen. In de novelle vertrekt het hoofdpersonage naar de grote stad maar wordt er in het midden gelaten of dat nu Vlissingen of Scheveningen betreft, het gaat om een fictieve havenstad. Wel komt Driewegen af en toe terug als Aleida zich dingen van haar jeugd herinnert, zoals het kantklossen, het slachten van vee van haar vader of hoe ze met haar broertjes appels aan het rapen was voor de varkens.”

Met andere woorden, Driewegen speelt een ondergeschikte rol. Dat vind ik niet erg. Alleen de gedachte al dat het op een kruispunt tussen Hoofdplaat en Biervliet gelegen gehucht de geboorteplaats is van Aleida, vind ik voldoende. Iemand die daar eind 19e eeuw haar eerste veertien levensjaren is opgegroeid, in die eindeloze leegte en stilte, die moet wel zo reageren als Aleida doet. Het leven overkomt haar, ze wil wel sturen maar is daartoe onvoldoende toegerust. Negentiende eeuw in Zeeuws-Vlaanderen, dat is nog heel ver weg van de huidige welvaartsstaat waarin we nu leven. Aleida’s moeder overlijdt in 1863, als ze bevalt van haar zevende. Er is geen sprake van kindersterfte, al haar zusjes en broertjes blijven klaarblijkelijk in leven. Dat is opvallend in die tijd.

De titel wordt met een paar regels uit de Van Dale toegelicht. ‘Zeegans – wordt ‘s winters in grote groepen aan onze stranden aangetroffen. Verlaat al jong haar nest op zoek naar een partner die zij voor het leven trouw blijft, ook bij ziekte en sterven.’ Dat is in het kort het verhaal van Aleida.

Pagina 11: ,,Op haar veertiende liet vader zien wat er van een meid werd verwacht. Niet veel later stierf moeder in haar zevende kraambed. De komst van het laatste kind verdreef Aleida van haar plek. Voor de winter zijn intrede deed, moest ze een betrekking zien te vinden.” Ik neem deze regels over om de quasi onbewogen schrijftrant te laten zien, die het drama alleen maar versterkt. Aleida gaat naar de stad, waar ze een baantje vindt in een visafslag. Daar duikt Pons op. En weer zit het drama puur in de draagwijdte van de woorden, en niet in de bijvoeglijke naamwoorden: ,,Op een kille donderdagochtend in oktober toen hij om schar kwam, greep hij haar linkerhand vast voordat ze die weg kon trekken. ‘Wat is dat?’ ‘Mijn vader. Het mes schoot uit toen hij me voordeed hoe een varken te slachten’. Hij liet haar hand niet gaan en streelde het afgeplatte stompje naast haar ringvinger’. (…) ‘Kleine visvrouw, jij moet niet hier buiten zitten. Ik heb werk voor je, binnen, waar de kachel brandt’.” (pag. 12-13)

Zo wordt Aleida de prostitutie binnengeleidt. Als de andere meisjes erbij zijn, moet ze hem meneer noemen, in zijn souterrain mag ze Pons zeggen. Ze worden verliefd, ze leven voor elkaar. Er komt heroïne in het spel, de spuit versnelt het einde. Of de verteldraad met de zwangerschap van Aleida, het gedwongen afstaan van haar kind en de latere affaire met de kinderwagen geslaagd is, dat weet ik nog niet zeker. Wat ik wel weet is dat Inge Bak stijlvast is, elk drama blijft in woorden op afstand en komt daardoor des te harder aan.

Het verhaal beslaat een periode van negen jaar. Pagina 95: ,,Toen hij zijn hand naar haar uitstak, pakte Aleida die aan en ze liet zich naar hem toe trekken. Ze maakte twee spuiten voor hen klaar om samen te verdrinken in het niets. Ze voelde nog net zijn hand op haar platte buik.”

De omslagillustratie van Eva Verhoeven is een passende verbeelding van het verdriet van Aleida, als ik tenminste de link met haar doodgeboren dochtertje mag leggen.

Inge Nicole: De Tranen van de Zeegans – Uitgeverij In de Knipscheer, 16,50 euro.

Over Jan van Damme

Jan van Damme, geboren in Oostburg, 1956. Ik heb geschiedenis gestudeerd aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen: 1975-1983. Tijdens mijn studie werkte ik part-time op het Zeeuws Documentatie Centrum van de Provinciale Bibliotheek in Middelburg. In 1980 begon ik als freelancer voor de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) te werken in Zeeuws-Vlaanderen. Sinds 1984 ben ik in vaste dienst van de PZC. Eerst als regioverslaggever, vanaf 1986 als algemeen verslaggever met speciale aandacht voor provinciepolitiek, onderwijs, cultuur en historie. Na 1990 heb ik eindredactie- en coördinatiewerk gedaan, en ben ik chef van de afdeling bijlagen geweest (1994-2005). De laatste jaren combineer ik algemene verslaggeving met coördinatie van bijlagen. Voor de PZC heb ik de afgelopen 25 jaar vele auteurs geïnterviewd en boeken besproken.
Dit bericht is geplaatst in Proza en getagd, , . Bookmark de permalink.

1 Reactie op De Tranen van de Zeegans

  1. Pingback: Mooie woorden (2) over De tranen van de zeegans van Inge Nicole | Uitgeverij In de Knipscheer

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>