100 jaar Titanic (2)

Belofte maakt schuld, u heeft nog wat Titanic tegoed. Ik merk nu dat zo’n goed voornemen – zie vorige item Titanic – nogal snel achter de horizon verdwijnt. Andere boeken, tijdschriften, evenementen dienen zich aan. Maar de nationale Titanic-herdenking (in Vlissingen!) komt snel dichterbij. Bovendien vind ik het boek 100 jaar Titanic van de Vlaamse journalist Dirk Musschoot vooral opzienbarend door de verhalen over de Vlaamse en Nederlandse opvarenden. Zij komen door het speurwerk van Musschoot aangrijpend dichtbij.

Het beeld hiernaast is uiteraard uit de film van James Cameron, met Kate Winslet en Leonardo DiCaprio. Of de filmmaker op de hoogte was, weet ik niet, maar de echte Titanic had daadwerkelijk een ‘geheim’ liefdespaar aan boord. Zij is Bertha Antonine Mayné (foto hieronder), in 1887 geboren in Elsene. Ze maakte carrière in het theater, ze werd in Brussel een succesvolle cabaretzangeres. Onder de artiestennaam Bella Vielly trad ze ook op in Parijs, in Théâtre des Folies Bergère. In het voorjaar van 1912 zat Quigg Baxter (24) in het publiek. Hij was zoon van de vermogende Canadese zakenman James ‘Jim’ Baxter. Het kwam tot een geheime, stormachtige liefdesaffaire. Ze besloten samen op de Titanic als eersteklas passagiers de overtocht te maken. Om later in Canada te trouwen, misschien. Quigg reisde met zijn moeder en zus, die niets van zijn grote liefde wisten. De familie Baxter had één van de meest luxe suites, Bertha zat één verdieping lager. Omdat zijn moeder last had van zeeziekte en het liefst in bed bleef had Quigg de vrijheid om vaak bij zijn geliefde aan te kloppen. Toen na de aanvaring met de ijsberg de reddingsboten te water werden gelaten, kon hij haar met veel moeite overhalen plaatste nemen in de boot bij zijn moeder en zus. Die waren verrast, maar ontfermden zich wel over haar. De vrouwen werden gered, Quigg ging met het schip ten onder. Bertha keerde na een paar maanden terug naar Brussel, waar ze haar carrière als nachtclubzangeres weer oppakte. Ze overleed op 11 oktober 1962. Niemand van haar familie had geloof gehecht aan de verhalen over de Titanic, die ze op hoge leeftijd nog vertelde.

Onder de Vlaamse passagiers waren er nogal wat landverhuizers, die de armoede in hun eigen land ontvluchtten. Ik noem één voorbeeld: Philemon Van Melkebeke (23) uit Kerksken. Zijn vader Jan Baptist zag geen andere uitweg dan één van zijn drie zoons naar Amerika te sturen, om daar als landbouwer een bestaan op te bouwen. Als dat lukte, konden er meer familieleden volgen. Zijn broers Livinus en Gustaaf brachten Philemon naar het station in Haaltert. Daarna heeft zijn familie niets meer van hem gehoord. ‘Philemon was een brave jongen, een harde werker’, zeggen familieleden.

De 23-jarige violist Georges Krins uit Luik is een ander tragisch geval. De tekst op zijn herdenkingskaartje: ‘M. Krins, un jeune musicien belge, faisant partie de l’orchestre qui a joué jusqu’au dernier moment pour soutenir le courage des passagers’. Georges was een bijzonder getalenteerde muzikant. Hij behaalde prijzen op het conservatorium van Luik en speelde twee seizoenen in het Ritz Hotel in Londen. Via een boekingskantoor kwam hij op de Titanic terecht. Hij vormde er een trio, met de Rijsselse cellist Roger Bricoux en de Engelse Ted Brailey (piano en orgel). Ze moesten voor een Frans sfeertje zorgen in de buurt van café Parisien. Het verhaal wil dat de muzikanten bleven spelen, terwijl het schip zonk. De krant La Meuse, 22 april 1912 (pag. 169): ‘De getuigenissen van de geredden zijn unaniem: ze zeggen allemaal dat het orkest van de Titanic niet heeft opgehouden te spelen toen vrouwen en kinderen in de reddingssloepen stapten, met de bedoeling de moed erin te houden en paniek te vermijden. Die heldhaftige muzikanten bleven hun melodieën spelen, zelfs op het ogenblik dat het schip zich in een laatste stuiptrekking oprichtte om vervolgens in het diepe te glijden, naar zijn graf. Onder die muzikanten bevond zich een Luikenaar en vele stadsgenoten mogen er fier op zijn een held van 23 jaar als vriend te hebben gehad (…) Georges Krins…’  Pogingen om een standbeeld voor de violist op te richten zijn mislukt, voor alles rond was werd het oorlog.

Dan de drie Nederlanders. Laten we zeggen: twee avonturiers en een jonkheer. Geen van hen overleefde de ramp.

Van Wessel van der Brugge is alleen een fotootje over van toen hij 5 jaar was. Aan boord van de Titanic was hij 38 jaar. Hij kwam uit Rotterdam, Delfshaven. Al voor de eeuwwisseling maakte hij wereldreizen, tot diep in Afrika. Zijn officiële adres had hij bij zijn zus Cornelia en haar man Jan Kalff in Amsterdam. Het duurde maanden voor duidelijk werd dat hij aan boord was van de Titanic. Hij bleek als stoker gewerkt te hebben. Pag. 195: ‘Er waren aan boord van de Titanic 176 stokers, en hun taak was om de 29 stookketels, diep in de buik van het schip, gaande te houden. In shifts van vier uur – langer werken was bij temperaturen van soms 50 graden niet doenbaar – gooiden zij voortdurend met een grote schop kolen op het vuur. Het was zwaar en smerig werk. De hitte en het lawaai waren nauwelijks te harden.’ Van de stokers overleefden er 48 de ramp. Wessel was daar niet bij. Voor de omgekomen mannen van de machinekamer is een monument opgericht op de oever van de rivier de Mersey in Liverpool.

Hennie Bolhuis (27) uit Groningen was kok op de Titanic. Hij leerde het vak in Utrecht en werkte in hotels van naam in Brussel, Parijs, Londen en Monte Carlo. Hij werkte in 1911 aan boord van de Olympic in dienst van de Italiaan Luigi Gatti, die er een à-la-carterestaurant runde. Een jaar latr dus op de Titanic. Ik laat hier de ambtelijke brieven van de Nederlandse consul achterwege. Eind 1912 werd vanuit Southampton bericht, dat er nog een koffer met persoonlijke bezittingen van Hennie was. Behalve kleren en een ring zat er zijn kookboek in, dat hij in Groningen bij boekhandel Wermeskerken had gekocht.

Tenslotte jonkheer Johan George Reuchlin (37 jaar, op de foto met echtgenote Atie) uit Rotterdam. Hij was mede-directeur van de Holland-Amerika Lijn, en maakte de reis dus beroepsmatig mee. Algemeen directeur Wierdsma was verhinderd, zodoende. De briefjes die Reuchlin vanaf de Titanic aan zijn vrouw stuurde, zijn bewaard gebleven. ‘En nu mijn lieve, wees met de kinderen hartelijk omhelsd door je man’ (pag. 182). Hij overleefde niet. Zijn vrouw Atie ontving honderden condoleances, uit binnen- en buitenland. Koningin-moeder Emma schreef aan jonkheer Otto Reuchlin, de vader van George, en vroeg hem zijn schoondochter te laten weten ‘dat de verpletterende slag die haar heeft getroffen, Hare Majesteit de Koningin-Moeder met innige deelneming vervult’ (pag. 185). De HAL betaalde de weduwe 5000 gulden per jaar, tot haar jongste kind 18 jaar zou zijn. In 1924 deed de belastingdienst daar nog moeilijk over: de uitkering werd als een schenking beschouwd, er werd 60.000 gulden en een boete voor niet betaalde belastingen gevorderd. Pas in 1926 werd in hoger beroep vasgesteld dat Atie ‘betalingen uit hoofde van een natuurlijke verbintenis’ had ontvangen, en dus geen belasting hoefde te betalen. Ach ja, leuker konden ze het toen ook al niet maken.

Dirk Musschoot: 100 jaar Titanic, Het verhaal van de Belgen en de Nederlanders – Uitgeverij Lannoo, 29,99 euro.

Op woensdag 15 februari 2012 geeft Dirk Musschoot een lezing in het Maritiem Museum in Rotterdam. De tentoonstelling ‘Nederlanders op de Titanic’ is te zien van 11 februari t/m 17 juni 2012. De Titanic-avond op 15 februari begint om 20.00 uur (bezoek tentoonstelling vanaf 19.00 uur). Aanmelden via secretariaat@maritiemmuseum.nl onder vermelding van Titanic lezing of bel 010 413 2680. Kosten € 7,50.

Over Jan van Damme

Jan van Damme, geboren in Oostburg, 1956. Ik heb geschiedenis gestudeerd aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen: 1975-1983. Tijdens mijn studie werkte ik part-time op het Zeeuws Documentatie Centrum van de Provinciale Bibliotheek in Middelburg. In 1980 begon ik als freelancer voor de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) te werken in Zeeuws-Vlaanderen. Sinds 1984 ben ik in vaste dienst van de PZC. Eerst als regioverslaggever, vanaf 1986 als algemeen verslaggever met speciale aandacht voor provinciepolitiek, onderwijs, cultuur en historie. Na 1990 heb ik eindredactie- en coördinatiewerk gedaan, en ben ik chef van de afdeling bijlagen geweest (1994-2005). De laatste jaren combineer ik algemene verslaggeving met coördinatie van bijlagen. Voor de PZC heb ik de afgelopen 25 jaar vele auteurs geïnterviewd en boeken besproken.
Dit bericht is geplaatst in Geschiedenis, Vlaanderen en getagd, . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>