illustratie: cover van Argentijnse avonden met daarnaast hoofdrolspeelster Ida van Mastrigt.
Je hoeft je fantasie niet te gebruiken om een pakkend boek te schrijven. De werkelijkheid is meer dan mooi, erg, ontluisterend, hoopgevend genoeg. Carolijn Visser laat het zien in haar nieuwe boek Argentijnse avonden, dat net is verschenen. Een familiekroniek, die het grootste deel van de 20ste eeuw omvat. Literaire non-fictie luidt de genre-aanduiding. Van Rinus van Mastrigt in de Zwart Janstraat in Rotterdam, die op 26 november 1937 op de fiets naar Indonesië vertrekt, tot het koninklijk bezoek aan de Nederlandse enclave Tres Arroyos in Argentinië op 31 maart 2006. Dan speelt Rinus’ dochter Ida de hoofdrol.
Ik was vorige week donderdag (31 mei 2012) bij de presentatie van het boek in het pand van uitgeverij Augustus (Atlas-Contact) op de Herengracht in Amsterdam. Een kleurrijk feest, vooral dankzij de aanwezigheid van een groot aantal Argentijnse gasten. Met een meeslepende tangodansvoorstelling, een blije uitgeefster, een stralende schrijfster. En twee hoofdrolspelers, die zo uit het boek gestapt leken te zijn: Ida van Mastrigt, nog altijd Nederlands consul in Argentinië, en Cor van Mastrigt, die als 5-jarige zijn broer Rinus in 1937 de Zwart Janstraat uit zag rijden.
Het is een ander boek dan we van Carolijn Visser gewend zijn. Minder reisboek, meer geschiedenis, meer roman zelfs. Ze komt zelf niet in het boek voor. En een groot deel van het verhaal is gebaseerd op brieven van de hoofdrolspelers, die bewaard zijn gebleven. Carolijn kreeg de meeste correspondentie van Ida van Mastrigt, de Nederlandse consul in Argentinië. Zij had de brieven van haar vader Rinus van Mastrigt bewaard. Hij is het onbetwiste centrale personage in Argentijnse avonden. Op zijn 24ste besluit hij van Rotterdam naar het toenmalige Nederlands-Indië te emigreren. In Nederland is tijdens de crisisjaren geen werk voor hem. Zoon van een kruidenier, hij is bouwkundige. De reis per boot – derdeklas naar Batavia – kost ruim vijfhonderd gulden. Dat geld heeft hij niet. Dus pakt hij zijn oude stadsfiets (zonder versnellingen) en vertrekt. Het is 26 november 1937.
Ongelooflijk, onvoorstelbaar, maar hij doet het. Van de landen en culturen die hij zal ontmoeten heeft hij weinig of geen idee. Bij de Duitse grens wordt meteen zijn fietsloodje gecontroleerd, om te zien of hij zijn fietsbelasting wel heeft betaald. Duitsland, Wenen, Boedapest, op 9 december fiets hij Belgrado binnen. Op nieuwjaarsdag 1938 bereikt hij Istanboel. Hij fietst door Azië, van Karachi naar Malakka. Aangekomen in Singapore wordt hij ernstig ziek. Zijn vrienin Ida komt per boot. Hij herstelt. Op 1 december 1938, ruim een jaar nadat Rinus op zijn fiets stapte, varen ze de haven van Batavia binnen.
Dankzij de brieven komen er allerlei details aan bod, die het verhaal heel levendig maken. Soms zijn het kleinigheden, zoals een lekke band. Soms dreigt hij 400 kilometer terug te moeten fietsen om een verplicht stempel voor een grenspassage op te halen. Soms komt hij tot vervelende ontdekkingen (pa. 36): ,,Na een aantal dagen drong het slechte nieuws tot Rinus door: de overtocht van Calcutta naar Java zou net zoveel kosten als die van Nederland naar Java. Om onverklaarbare redenen waren beide bootreizen, de ene zoveel langer dan de andere, even duur. Rinus had geen cent bespaard met dat hele eind fietsen.”
Werk en trouwen in Indonesië, twee dochters Ida en Miep, de oorlog, Japans werkkamp. Als de bevrijding in zicht is wordt hij bijna vermoord, omdat hij de orders van een bewaker niet opvolgt. Eenmaal bevrijd gaat hij op zoek naar zijn Ida, en treft haar in een veldbed met een Amerikaan. Rinus heeft – wat we nu zouden noemen – een kort lontje. Geen ruimte voor overleg of een tweede kans: ze scheiden, het is dan 31 januari 1946.
De twee meisjes Ida en Miep worden naar Holland gestuurd. De reis aan boord van de Bossevain met 1500 passagiers is geen pretje. Pagina 65: ,,Ze hadden allebei een hangmat toegewezen gekregen in een groot ruim, waar ze steeds uit vielen. Ida zag een paar passagiers overboord springen en zo een einde aan hun leven maken. Later begreep ze dat herinneringen aan de oorlog hun waarschijnlijk te veel waren geworden. Miep kreeg buikloop en werd opgenomen in de ziekenboeg. De rest van de maand die de reis zou duren zwierf de zesjarige Ida alleen over het grote schip. De schoenen die haar vader had gekocht deed ze uit omdat ze knelden. In Azië had ze altijd op blote voeten gelopen. Daarna waren ze gestolen.”
Ze worden bij de ouders van Rinus ondergebracht. In een busje worden ze van de haven naar het huis van hun grootouders gebracht. Pagina 65: ,,De chauffeur stopte in een verlaten straat en belde ergens aan. Hij wenkte de meisjes. Naast een enorme etalageruit zwaaide een deur open. Er gaapte een donker gat waarin Ida een steile trap ontwaarde. De chauffeur brulde naar boven: ‘Kinderen uit Indië!”’
(foto: het vertrek van Ida en Miep naar Argentinië, 1950).
Het tweede deel van het boek (vanaf pagina 97) speelt helemaal in Argentinië. Rinus moet weg uit het opstandige Indonesië, hij keert terug naar Nederland en ziet een nieuwe toekomst in Argentinië. In 1948 vertrekt hij vanuit Antwerpen, zijn dan net 16 jaar geworden broer Cor brengt hem. Hij zoekt naar werk, heeft aanvankelijk moeite om een vast dak boven zijn hoofd te vinden en kan zijn dochters nog niet laten nakomen. Ida en Miep zijn dus in Rotterdam. Pagina 107: ,,Op een kille novemberochtend in 1949 kwamen Ida en Miep thuis van zondagsschool. Hun grootouders gingen zelf nooit naar de kerk en hechtten niet veel belang aan het geloof, maar zo hadden de meisjes iets te doen op de zondagochtend en kon Pa van zijn rust genieten op zijn enige vrije dag. Miep was net negen geworden, Ida tien. Hun jassen losknopend stapten ze de woonkamer binnen waar Pa en Ma naast de kachel zaten. ‘Niet zo wild, je trekt de knopen van je jas’, zei Pa boos tegen Ida. ‘Ik trek de knopen niet van mijn jas’, antwoordde het kind. Pa was niet gediend van dergelijke tegenspraak. Hij hief het boek dat hij aan het lezen was en gooide dat woedend naar Ida. Het trof de pot met vers gezette thee op de kachel. De gloeiendhete inhoud gutste over de benen van Ma. Ze gilde het uit en bleek later derdegraads brandwonden te hebben. ‘En nu is het genoeg geweest’, schreeuwde Pa. ‘Die meiden gaan naar hun vader’.”
(foto: Pa en Ma van Mastrigt, Rinus in het midden, Ida en Miep in 1948).
Ik vind dit aangrijpende passages. In feite heel sec verteld, maar je voelt de onderhuidse ontevredenheid van de grootouders, de woede van de grootvader, de hulpeloosheid van de meisjes. Het karakter van Rinus is bepalend voor de verdere loop van het verhaal. Net als zijn vader is Rinus van het opvliegende soort. Daar komt dan vrijwel zeker een in het Jappenkamp opgelopen oorlogstrauma bij, plus een dramatisch verlopen huwelijk. Die ervaringen maken van hem een onberekenbare vader, die – in de woorden van vandaag – zijn dochters mishandelt. De kinderen komen terecht in de Hollandse gemeenschap Tres Arroyos, 500 kilometer ten zuiden van Buenos Aires. Daar groeien ze op, met dank aan meester Slebos.
Het verhaal lezend wordt duidelijk dat Carolijn Visser een schat aan gegevens heeft bovengehaald uit de brieven en in lange gesprekken in Tres Arroyos. Ik noem het een indrukwekkende familiekroniek. Getekend door het leven, die gedachte komt bij me op als ik Ida in het uitgevershuis in Amsterdam zie. Na zestig jaar Argentinië praat ze nog verrassend goed Nederlands. Cor van Mastrigt vertelt dat haar zus Miep niet bij de presentatie is, de zussen hebben sinds het overlijden van hun vader Rinus in 2000 geen contact meer met elkaar.
(foto: Ida en koningin Beatrix, Tres Arroyos 31 maart 2006)
Op 31 maart 2006 is er koninklijk bezoek in Tres Arroyos. Koningin Beatrix, Willem Alexander en natuurlijk Máxima. Pagina 250: ,,De emoties onder de genodigden liepen op. Verhalen over het verleden van hun familie buitelden door hun hoofd. Iemand die een zoon in Aalten had wonen, fluisterde tegen een vriendin: ‘Het houdt nooit op met die emigratie. Nu wil hij met zijn gezin weer terugkomen!’ Haar vriendin antwoordde met verstikte stem: ‘Ik heb de boerderij gezien waar mijn grootouders vandaan kwamen, in Vinkeveen. Zo mooi als het daar is! Je denkt: Hoe kunnen mensen daar nou weggaan!’ ‘Ach’, zei de eerste weer, ‘iedereen doet waarvan hij op dat moment denkt dat het het beste besluit is’.”
En zo is het maar net.
Carolijn vertelt dat er nu weer Argentijnse Nederlanders naar Nederland teruggaan. Dat kan, ze hebben nog steeds de Nederlandse nationaliteit. Zo is de cirkel rond.
Argentijnse avonden is een aangrijpend, indrukwekkend boek.
Carolijn Visser: Argentijnse avonden – Uitgeverij Augustus, 256 pagina’s, hardcover, 19,95 euro.

Pingback: Textielpost – Het Koninklijk Huis | Berthi's Weblog