De meningen verschillen. Ik heb in elk geval wel eens gehoord dat je Domburg kort na het begin van de 20ste eeuw niet echt als een kunstenaarskolonie kunt aanduiden. Francisca van Vloten doet dat in haar boek Het Zingen der Dingen, De kunstenaarskolonie Worpswede, wel. Omdat ze in het Marie Tak van Poortvliet Museum in Domburg kennelijk een serie exposities (en boeken) aan kunstenaarskolonies wil wijden, is haar uitgangspunt begrijpelijk.
(Afbeelding - Hans am Ende: Meisje in de wei, circa 1910, olieverf op karton).
Toch, als ik haar tekst over het Duitse Worpswede lees, dan denk ik dat daar eind 19e eeuw een duidelijk anders geaarde kolonie ontstond dan later in Domburg. Hoezeer het Zeeuwse licht ook werd geroemd was het naar mijn idee toch ook vooral het grote geld dat aantrekkingskracht uitoefende. Het verhaal van de gouden duimen van Mezger en de buitenlandse adel die zich in zijn aandacht verlustigde, het is al vaak verteld. Jan Toorop, Pieter Mondriaan, zouden ze ook gekomen zijn als die rijke chique zich niet in zomers Domburg had laten zien?
In haar inleiding vertelt Francisca van Vloten hoe al vroeg in de 19e eeuw het fenomeen kunstenaarskolonie opkwam. Het ‘en plein air’ schilderen raakte in de mode, het landschap werd van achtergrond tot onderwerp. De hang naar een eenvoudig, ‘natuurlijk’ bestaan en het relatief goedkope leven op het platteland, het had er allemaal mee te maken. Barbizon in de bossen van Fontainebleau was de eerste kunstenaarsgemeenschap. Er volgden er nog vele: St. Ives in Engeland, Nagybánja in (toen nog) Hongarije, Abramcewo in Rusland ten noordwesten van Moskou, het Deense Skagen en het Duitse Worpswede. En dus ook Domburg, meent de schrijfster. Ik noem alle kolonies, omdat ik er vanuit ga dat die na Worpswede nog aan bod zullen komen in Domburg.
(Paula Modersohn-Becker: De vrouw met de gans, 1902, ets op papier).
Behalve een ruime inleiding op de kolonie Worpswede bevat het boek geschreven portretten van de kunstenaars die daar gewoond en gewerkt hebben. Zoals Fritz Mackensen (1866-1953), Otto Modersohn (1865-1943), Hans am Ende (1864-1918), Heinrich Vogeler (1872-1942) en Paula Modersohn-Becker (1876-1907).
Francisca van Vloten: Het Zingen der Dingen, De kunstenaarskolonie Worpswede - Uitgeverij De Factory, Deventer, 112 pagina’s, 20,- euro.
**********************************
In de PZC van maandag 18 juni 2012 sprak Rolf Bosboom met Francisca van Vloten over boek en expositie:
Museum Domburg richt blik op Duitse kunstenaarskolonie
Kunst uit Worpswede
laat mysterie intact
Als kunstenaarskolonie verwierf Domburg internationaal naam en faam. Het Marie Tak van Poortvliet Museum wil de komende tijd regelmatig exposities wijden aan vergelijkbare kolonies in Europa. De eerste in de reeks is het Duitse Worpswede.
door Rolf Bosboom
Domburg heeft zijn ‘Zeeuwse licht’, dat kunstenaars begin vorige eeuw naar de badplaats lokte. Voor Worpswede, gelegen nabij Bremen in de Duitse deelstaat Nedersaksen, geldt iets vergelijkbaars, zegt Francisca van Vloten. ,,Het licht is er bijzonder door de veenafgravingen. Worpswede is ook bekend om zijn prachtige kleuren en vreemde wolkenpartijen.”
Van Vloten stelde voor het Marie Tak van Poortvliet Museum de expositie Naar buiten! samen over Worpswede als kunstenaarskolonie. De tentoonstelling werd afgelopen weekeinde officieel geopend. Bovendien schreef zij een rijk geïllustreerd boek over de Duitse kolonie, dat bij de expositie is verschenen.
Het Marie Tak van Poortvliet Museum wil regelmatig kunstenaarskolonies in Europa gaan belichten, zegt Van Vloten. ,,Domburg stond indertijd niet alleen. Het zat in de lucht: overal zag je dergelijke kolonies ontstaan. Ik vind het fascinerend om te zien hoe kunstenaars elkaar beïnvloedden en welke werken daaruit voortkwamen.”
Otto Modersohn: Herfstzon, circa 1902, olieverf op paneel.
In Worpswede werd de kiem gelegd in 1884, toen Fritz Mackensen erheen ging en onder de indruk raakte van de opvallende atmosfeer van de omgeving. Vijf jaar later volgden zijn studievrienden Otto Modersohn en Hans am Ende en nadien ook Fritz Overbeck en Heinrich Vogeler. Zij legden uiteindelijk de basis voor de kunstenaarskolonie.
Nadat de grondleggers in 1895 en 1896 successen hadden geboekt op de internationale tentoonstellingen in München, streken veel meer kunstenaars neer in Worpswede. Onder hen waren schilderes Paula Becker (die met Otto Modersohn trouwde en later uitgroeide tot de Duitse voorloopster van het expressionisme), beeldhouwster Clara Westhoff, dichter Rainer Maria Rilke en later ook Ottilie Reylaender.
Net zoals de kunstenaars in Domburg richtte de artistieke gemeenschap in Worpswede zich vooral op het vastleggen van het landschap en de plaatselijke bevolking.
In het Marie Tak van Poortvliet Museum zijn nu vele sprekende voorbeelden daarvan te zien, zoals De reidans van Ottilie Reylaender (afbeelding, circa 1900), waarop de plaatselijke omgeving bijna lijkt te zinderen.
Vrijwel alle landschappen, maar ook de afgebeelde personen – die vaak hun hoofd hebben afgewend – hebben iets mysterieus, iets raadselachtigs, alsof ze iets verbergen. ,,In 1903 schreef Rainer Maria Rilke een monografie over Worpswede, waardoor de kolonie internationaal bekend werd”, zegt Van Vloten. ,,Rilke vond dat kunstenaars dingen zo moesten weergeven, dat ze hun geheimen bewaren. Dat zag hij terug in Worpswede.”

Heinrich Vogeler: Portret van Hilda Leonhardt, 1921, olieverf op schilderskarton)
Er is veel te zien op de tentoonstelling, al is het helaas niet gelukt schilderijen van Paula Modersohn-Becker naar Domburg te krijgen. De bezoekers kunnen wel reproducties bekijken, een tekening en enkele etsen. Van de enige Nederlander in de kolonie, Bram van Velde, hangen twee werken.
Om te tonen dat de kunst niet uit Worpswede is verdwenen zijn in de tuin van het Domburgse museum werken te zien van vier hedendaagse beeldhouwers: Bernd Altenstein, Gisele Eufe, Christoph Fischer en – de bekendste van de vier – Waldemar Otto.
Expositie: ‘Naar buiten! De kunstenaarskolonie Worpswede’, t/m 11 november in Marie Tak van Poortvliet Museum, Domburg. Geopend: di. t/m zo. 13.00-17.00 uur.
******************************
Over Francisca van Vloten (van haar site):
Francisca van Vloten (Leiden 1950), werkzaam als kunsthistorisch en letterkundig onderzoeker en schrijver. Redacteur Zeeuws Tijdschrift, Jaarboek Frederik van Eeden-Genootschap, Over Multatuli, adviesraad Slibreeks, Marie Tak van Poortvliet Museum Domburg, lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, beschermvrouwe van de Haafner Society, jurylid Deventer Dichter 2005. In internationaal verband werkzaam voor EuroArt, de vereniging van Europese kunstenaarskolonies. Zij publiceerde o.m. het brievenboekje Heimwee houdt ons gevangen. Kunstenaarsbrieven aan Mies Elout-Drabbe in Domburg (Middelburg 1990), de driedelige biografische studie Het Kostelijckst van Al. Een schets van Johannes van Vloten (I, Deventer 1991), Een Hartstochtelijk Hemelbestormer. Johannes van Vloten in beeld (II, Deventer 1993) en Veelzeggend. Johannes van Vloten aan het woord (III, Deventer 1996), de monografie En het leven droom. De kunstenaarsfamilie Góth (Middelburg 1992), de studie ‘Dromen van weleer. Kunstenaars in Domburg 1898-1928′ (in: Reünie op ‘t Duin. Mondriaan en tijdgenoten in Zeeland, Zwolle 1994), de monografie In schoonheid verstild. De kunstenaar Jan Heyse 1882-1954 (Middelburg 1996), de kunsthistorische biografie Een onbarmhartig mooi erfdeel. De Nederlands-Hongaarse Kunstenaarsfamilie Góth (Middelburg/Vlissingen 2000), Moen! Tussen Toorop en Mondriaan. De kunstenares Mies Elout-Drabbe 1875-1956 (Vlissingen 2004), samen met Lloyd Nick (eds.) de catalogus Masterpieces from European Artist Colonies 1830-1930 (Atlanta 2005), de catalogus (ed.) Colour and Sun! Artists’ Colonies by the Sea: Domburg – Nidden/Nida – Ahrenshoop 1870-1930 (Deventer 2007), de publicatie (ed.) Een tere stilte en een sterk geluid. Domburgse Dames en Veerse Joffers 1875-1985 (Deventer 2009); artikelen in o.m. Over Multatuli, Biografie Bulletin, Jong Holland, Kunstschrift, Zeeuws Tijdschrift, Walacria, een kroniek van Walcheren, Balkon (Budapest), Singer Bulletin Laren, Mededelingen van het Frederik van Eeden-Genootschap; daarnaast vertalingen, toneelstukken, verhalen en gedichten.Voor haar toneelstuk Mono Stereo kreeg zij de eerste eenakterprijs van Toneelgroep Centrum, NRC Handelsblad en Toneel Teatraal in 1976. Haar boek Moen. Tussen Toorop en Mondriaan – over Domburg als kunstenaarskolonie met Mies Elout-Drabbe als centrale figuur – werd bekroond met de Zeeuwse Boekenprijs 2004.Haar werk werd in het Duits, Hongaars, Litouws, Engels en Frans vertaald. Zij gaf gastcolleges en lezingen aan de letterenfaculteit van de Eötvös Loránd Universiteit in Boedapest (2000) en de Oglethorpe University in Atlanta GA (2005). |
|
![]() |
Zij maakte tentoonstellingen in Domburg, Middelburg (in samenwerking), Deventer (in samenwerking), Boedapest en werkte mee aan tentoonstellingen in Laren NH, Graz, Atlanta GA, Dachau, Klaipeda LT en Ahrenshoop D, Oosterbeek en Tervuren B.Voor het Marie Tak van Poortvliet Museum Domburg maakte zij de tentoonstellingen:
|
Zij publiceerde o.m. het brievenboekje Heimwee houdt ons gevangen. Kunstenaarsbrieven aan Mies Elout-Drabbe in Domburg (Middelburg 1990), de driedelige biografische studie Het Kostelijckst van Al. Een schets van Johannes van Vloten (I, Deventer 1991), Een Hartstochtelijk Hemelbestormer. Johannes van Vloten in beeld (II, Deventer 1993) en Veelzeggend. Johannes van Vloten aan het woord (III, Deventer 1996), de monografie En het leven droom. De kunstenaarsfamilie Góth (Middelburg 1992), de studie ‘Dromen van weleer. Kunstenaars in Domburg 1898-1928′ (in: Reünie op ‘t Duin. Mondriaan en tijdgenoten in Zeeland, Zwolle 1994), de monografie In schoonheid verstild. De kunstenaar Jan Heyse 1882-1954 (Middelburg 1996), de kunsthistorische biografie Een onbarmhartig mooi erfdeel. De Nederlands-Hongaarse Kunstenaarsfamilie Góth (Middelburg/Vlissingen 2000), Moen! Tussen Toorop en Mondriaan. De kunstenares Mies Elout-Drabbe 1875-1956 (Vlissingen 2004), samen met Lloyd Nick (eds.) de catalogus Masterpieces from European Artist Colonies 1830-1930 (Atlanta 2005), de catalogus (ed.) Colour and Sun! Artists’ Colonies by the Sea: Domburg – Nidden/Nida – Ahrenshoop 1870-1930 (Deventer 2007), de publicatie (ed.) Een tere stilte en een sterk geluid. Domburgse Dames en Veerse Joffers 1875-1985 (Deventer 2009); artikelen in o.m. Over Multatuli, Biografie Bulletin, Jong Holland, Kunstschrift, Zeeuws Tijdschrift, Walacria, een kroniek van Walcheren, Balkon (Budapest), Singer Bulletin Laren, Mededelingen van het Frederik van Eeden-Genootschap; daarnaast vertalingen, toneelstukken, verhalen en gedichten.Voor haar toneelstuk Mono Stereo kreeg zij de eerste eenakterprijs van Toneelgroep Centrum, NRC Handelsblad en Toneel Teatraal in 1976. Haar boek Moen. Tussen Toorop en Mondriaan – over Domburg als kunstenaarskolonie met Mies Elout-Drabbe als centrale figuur – werd bekroond met de Zeeuwse Boekenprijs 2004.Haar werk werd in het Duits, Hongaars, Litouws, Engels en Frans vertaald. Zij gaf gastcolleges en lezingen aan de letterenfaculteit van de Eötvös Loránd Universiteit in Boedapest (2000) en de Oglethorpe University in Atlanta GA (2005).